Cello

De cello (kort voor violoncello) behoort tot de groep van de strijkinstrumenten. De cello heeft een kenmerkende klank en een bereik van bijna vier octaven.

Kunstschilders hebben de cello vanaf de 17de eeuw regelmatig afgebeeld. Familieportretten met muziekinstrumenten stonden daarbij symbool van de harmonie die in een familie heerste.

De cello is ongeveer 120 cm lang. Kleinere afmetingen van de cello zijn 1/16, 1/8, 1/4, 1/2 3/4 en 7/8 cello. Het instrument is bespannen met vier snaren en heeft twee f-gaten.

De snaren van de cello zijn van hoog naar laag gestemd: A, D, G, C – een octaaf lager dan de altviool.[1] Zij lopen vanaf het staartstuk over de kam naar de stemsleutels aan de bovenzijde van de hals, onder de krul. De kam bevindt zich tussen deklankgaten op het bovenblad. Het stemmen gebeurt met de grote stemknoppen aan de bovenzijde of, indien aanwezig, met de fijnstemknoppen aan de benedenzijde van het staartstuk.

Het instrument wordt op de juiste speelhoogte gebracht door het uitschuiven van de metalen staartpin aan de onderzijde. Cello’s die in deauthentieke uitvoeringspraktijk van de Oude Muziek worden gebruikt, hebben deze pin niet. Deze instrumenten worden door de musicus op de juiste hoogte gehouden door ze tussen de benen te klemmen.

De cello wordt voornamelijk gespeeld in Klassiek, Barok en Romantiek.